ADHD
De afkorting ADHD staat voor het Engelse ‘attention deficit hyperactivity disorder’. In het Nederlands is dat: ‘aandachtstekort- en hyperactiviteitsstoornis’.
Adhd heeft drie hoofdkenmerken: aandachtstekort, hyperactiviteit en impulsiviteit of anders gezegd: een verminderd concentratievermogen, overmatige bewegingsdrang en ondoordacht handelen. Ze hoeven niet alledrie aanwezig te zijn om toch van adhd te spreken. Vaak komt een combinatie van twee of drie symptomen voor. Van storende hoofdkenmerken kan pas worden gesproken als de verschijnselen meer last veroorzaken dan normaal voor de leeftijd en het niveau.
Er zijn verschillende types adhd: het gecombineerde type adhd, het overwegend aandachtstekorttype add en het overwegend hyperactief/impulsief type adhd.
Het verwarrende is dat mensen met ADHD niet altijd druk of afgeleid zijn. Mensen met ADHD kunnen zich soms wel goed concentreren op sterke prikkels zoals spannende films of computerspelletjes. Aan buitenstaanders ontlokt dit vaak de opmerking ‘ze kunnen het wel, als ze maar willen’. Mensen met ADHD kunnen zich inderdaad wel concentreren, maar ze hebben daar veel sterkere prikkels voor nodig. Het kost hen bovendien veel meer inspanning dan anderen.
De oorzaak van ADHD is (nog) niet helemaal duidelijk. Recent onderzoek wijst erop dat er bij ADHD sprake is van een neurobiologische stoornis in de hersenen, op het niveau van de zenuwverbindingen (neurotransmissie).
ADHD komt in sommige families vaker voor dan in andere families. Men gaat uit van een kwetsbaarheid in de erfelijke aanleg die wordt beinvloed door verschillende omgevingsfactoren. Dat zijn zowel biologische factoren die spelen rondom zwangerschap, bevalling en ontwikkeling van het kind als psychologische en sociale omgevingsfactoren die te maken hebben met onder meer opvoeding en onderwijs.
ADHD komt in alle landen en culturen voor. Gemiddeld worden er percentages van 3 tot 10% genoemd. Dat heeft enerzijds te maken met de manier waarop symptomen worden beoordeeld en anderzijds met het feit dat deze problematiek in bepaalde gebieden vaker voorkomt. In Nederland heeft de Gezondheidsraad zich uitgesproken over een percentage van 2-4% van de schoolgaande kinderen tot 14 jaar, waarbij 2% zeer ernstige symptomen heeft en het bij 4% van de kinderen in lichtere mate voorkomt.
