Autisme

Mensen met een autistische stoornis vormen een bontgekleurd gezelschap, geen enkele persoon met autisme is hetzelfde. De één maakt geen oogcontact, een ander kan dat wel. Men kan stil teruggetrokken in een hoekje urenlang zitten, maar het is ook mogelijk dat men zelfs (te) veel op mensen afgaat. In de praktijk kan dit betekenen dat de stoornis als volgt wordt aangeduid: Autisme, aan Autisme verwante Stoornis, Syndroom van Asperger, Meervoudige Complexe Ontwikkelingsstoornissen (MCDD), Pervasieve Ontwikkelingsstoornis Niet Anders Omschreven (PDD-NOS – staat voor Pervasive Developmental Disorder – Not Otherwise Specified) ook wel genoemd A-typische ontwikkelingsstoornis of A-typisch Autisme. Al deze verschillende namen behoren dus tot het spectrum van autistische stoornissen. Wanneer men spreekt van een “autistische stoornis” wordt één van de vele uitingsvormen bedoeld. Internationaal wordt de aanduiding “Pervasieve ontwikkelingstoornissen” gebruikt naast de aanduiding “spectrum van autistische stoornissen”. Pervasief betekent diep doordringend. Het gaat om een stoornis die in het totale ontwikkelingsverloop doordringt. Dat betekent dat behalve de ontwikkeling van sociale relaties en vaardigheid, taal en voorstellingsvermogen, ook de ontwikkeling van motoriek, zelfbeeld, gevoelens, spel, fantasie, begrip van de dagelijkse wereld, eigenlijk heel veel verstoord kan verlopen. Maar naast deze mentale problematiek kunnen ook in het lichaam een hele reeks processen verstoord verlopen.

De precieze oorzaak van autisme is nog steeds niet gevonden. Recent wetenschappelijk onderzoek wijst uit dat vanuit een erfelijke kwetsbaarheid in domeinen van het serotoninesysteem, van oxidatieve stress en van het afweersysteem ontwikkelingsstoornissen als autisme tot ontstaan kunnen komen. De genetische aanleg blijkt van zeer diverse aard te kunnen zijn: er werden inmiddels enkele tientallen genen geïdentificeerd die mogelijk een rol kunnen spelen.

Heel concreet ontstaat het autistisch gedrag doordat de waarneming van jongsaf aan verstoord wordt. Zien, horen, voelen, proeven en ruiken kan anders verlopen: te intensief of net te zwak. Niet zozeer de zintuigen zelf zijn aangetast, maar vooral de verwerking van de zintuiglijke prikkels in de hersenen. Mensen met een autistische stoornis hebben van jongs af aan een stoornis in het functioneren van de hersenen. Informatie die bij de hersenen aankomt wordt niet goed verwerkt. Zij zien, horen, voelen, proeven en ruiken, maar kunnen deze informatie onvoldoende tot een zinvol geheel samenvoegen. Ze nemen de wereld als het ware in losse deeltjes waar. Ze blijven vaak aan kleine onbelangrijke details kleven zonder het geheel te overzien. De betekenis van een bepaald gebeuren ontgaat hen vaak, of er worden verkeerde verbanden gelegd waardoor ze niet goed kunnen reageren. In de voor hen onoverzichtelijke wereld zoeken zij orde en veiligheid door zich vast te klampen aan vaste gewoontes. Bij (plotselinge) veranderingen kunnen ze snel in paniek geraken.

Mensen met een autistische stoornis herkent men vooral aan hun gedrag, omdat ze star en “vreemd” doen. Het is moeilijk om normaal contact met hen te krijgen. Een baby lacht meestal niet terug naar zijn moeder, ouderen kunnen zich slecht in iemand anders verplaatsen. Ze voelen zich vaak uiterst alleen. Meestal is het spelen met kinderen voor hen moeilijker dan de omgang met volwassenen. Indien zij kunnen praten is hun taalgebruik vaak eigenaardig en afwijkend. Mensen met autisme hebben iets eenzijdigs. Hun stemming kan snel wisselen. Zij kunnen slecht tegen veranderingen en hebben te kampen met angstreacties of woede-aanvallen over schijnbaar onnozele kleinigheden. Aan de andere kant kunnen zij juist heel vriendelijk en zuiver overkomen, achterklap of de draak met iemand steken is er voor hen niet bij. Autistische mensen hebben iets onbegrijpelijks en ongrijpbaars.